Gedicht
384/475

Vanuit het water

Met trillende vingers schoven we
de bloedrode wormen over de haken
gooiden het lood zo ver in zee als
onze jonge armen maar konden.

Waarna het urenlange wachten
en turen begon. Pas al die jaren
later weet ik dat we toen samen
zoveel meer vingen dan bot

schar, pladijs en tong. Deze
waaiende dagen en nachten
met vader: in mijn leefnet

liggen ze spartelend te
glanzen. Nu pas voel ik
het onschatbare gewicht.