Gedicht
425/475

Gebouwd ben ik uit eeuwigheid
Een dak van droom en droog
Een fundering van onwetendheid
Mijn wanden wolkenhoog

Uitwendig gebroken gewit
Geplamuurd en geschuurd
Niet onontvreemdbaar mijn bezit
Tot opzegging gehuurd

In de kelder lekt het gestaag
Bij storm sneuvelt een pan
Hachelijk helt de vloer omlaag
Mijn balken vol gezwam

Een mens ach een mens te zijn
Op zolder huist een god
In de bovenkamer een zwijn
Wat is hemel en wat is kot